Plantkunde

Helleborus-soorten onderscheiden zich door de vorming van bovengrondse stengels. Ze worden in twee hoofdgroepen ingedeeld die qua ontwikkeling van stengel en wortelstok onderscheiden. Bij de caulescente soorten (met stengel), ontstaat er een wortelstok uit de verdikte en verhoutte hypocotyl (kiemstengel) en het onderste deel van die stengel. Deze vertakt zich door de uitgroei van okselknoppen. Aan de hoofdwortel ontstaan zijwortels. Deze soorten kunnen uitsluitend door zaad worden vermeerderd. 

Bij de andere soorten, de zogenoemde acaulescente soorten (zonder stengelontwikkeling), sterft de hoofdwortel af tijdens de verdere ontwikkeling van de zaailing naar de volgroeide plant. Ieder jaar opnieuw ontwikkelen zich vanuit de nieuw gevormde vertakkingen van de wortelstok (rizoom) nieuwe adventiefwortels. Volgroeide wortels zijn dik, vlezig en vaak bruin tot zwart gekleurd. Acaulescente soorten kunnen door scheuring worden vermeerderd.

Rizoom: 

Een rizoom - ook wortelstok genoemd - is een ondergrondse, meestal horizontaal lopende, vlezige stengel waar zich aan de onderkant wortels vormen. Het eind van de wortelstok buigt vaak weer omhoog en vormt uit de eindknoppen een nieuwe plant. 


Ice Breaker® Platinum Rose℗

Bloem: 

De bloem van Helleborus vormt botanisch gezien een bijzonderheid. Anders dan bij vele andere bloeiende planten vormen niet de bloemblaadjes (kroonbladen, petalen) de bloem, maar de kelkbladeren (sepalen) die normaal gesproken de bloem moeten beschermen.

In de loop van de evolutie zijn de petalen van Helleborus vergroeid tot zogenoemde honing- of nectarklieren (nectarium – korte puntzakvormige bloemorganen). Zoals die twee namen al suggereren vormt zich hier nectar die de weinige insecten in de tijd van het jaar waarin Helleborus bloeit, moeten aanlokken. Het aantal nectarklieren varieert van vijf tot twintig en is niet alleen anders van soort tot soort, maar ook van de planten onderling. Om de bestuiving zo eenvoudig mogelijk te maken, zijn de bloemen uitermate simpel van opbouw. Verschillende insecten kunnen er terecht om zo aan de bestuiving meewerken.

De kelkbladeren (sepalen) blijven aanwezig totdat het zaad rijpt. Na de bevruchting veranderen de bloemen wel van kleur, maar dat doet weinig af aan de sierwaarde.


Bij de meeldraden (stamen - mannelijke geslachtsorganen) gaat het om lange draden met helmknopjes (antheren) met twee kamers. In totaal zijn per bloem tot 150 meeldraden mogelijk. Voor hun rijping zitten de meeldraden gebundeld rond het vruchtblad (carpel), het vrouwelijke voortplantingsorgaan van de bloem. Pas wanneer de bloem zich verder ontwikkelt, strekken zij zich.

Het aantal vruchtbladen ook carpels genoemd (gemodificeerde bladeren met voortplantingsfunctie) varieert per bloem van drie tot tien. De vruchtbladen zijn vóór de meeldraden rijp (protogynie of proterogynie). Hierdoor wordt de kans vergroot dat de Helleborus planten -  die van nature zelfbevruchtend (autogaam) zijn - met het stuifmeel van een andere Helleborus plant worden bestoven (vreemdbestuiving).

De bloemkleur bij Helleborus varieert van groene tinten naar wit en geel, tot naar het roze en rood. De bloemen van Helleborus-soorten geuren niet echt. Helleborus odorus (odorare = latijns voor: ruiken, geuren) vormt hierop een uitzondering. Tevens staat bekend dat de bloemen van Helleborus liguricus ook aangenaam geuren. 

Delen van een Helleborus bloem
A= Kelkbladeren (sepalen) B= Meeldraden (stamina) C= Vruchtbladen (carpels) D= Nectarklieren

Bevrucht Helleborus bloom
Bevrucht Helleborus bloom

Vrucht: 

De vruchtstand van Helleborus bestaat uit net zoveel kokervruchten als van te voren vruchtbeginsels zijn bevrucht. De nectarklieren en meeldraden hebben na de bestuiving hun taak vervuld en vallen bij de verdere ontwikkeling van de zaden af. 

De kelkbladeren (sepalen) veranderen van kleur maar blijven totdat het zaad rijp is de vruchtstand behouden. Afhankelijk van de soort kunnen de kokervruchten aan de onderkant met elkaar vergroeid zijn. 

Zo gauw de zaden rijp zijn, springt elke kokervrucht van boven naar beneden open en laat de zaden los. 


Zaden:

De zaden van Helleborus zijn aan de randen van de geopende vruchtbladen (carpels) vastgegroeid. De meeste soorten brengen glanzend zwart zaad voort, dat langwerpig tot boonvormig is. Zo gauw de zaadschil indroogt, verandert de kleur naar dofbruin of zwart. Het aantal zaden varieert van tien tot twintig per zaaddoos. Er is overigens wel verschil van soort tot soort. Zo telt Helleborus vesicarius bv. meestal slechts een tot twee zaden per kokervrucht. 

Zaden van Helleborus